“Het helpt gewoon niet wat we hier doen”, zei ik tegen mijn collega van de militaire politie.

Op een ochtend kreeg  ik voor de vierde keer in drie maanden als verbindingsofficier van de VN een radio oproep van de Arabische autoriteiten. Misbruik van Arabische meisjes door vredesmacht militairen in het Midden Oosten was de strekking van de boodschap. Een politiek incident was geboren. Ik besefte me dat na zoveel ervaringen direct. Ondanks het feit dat ik 21 jaar was met een belevingswereld van een stad Groninger. Nu was ik verantwoordelijk voor de oplossing van dit incident. Spannend en telkens weer onzeker.

“Why are you here?”, vroeg de commandant op nonchalante toon.

“We have orders to investigate sexual abuse in this compound”, zei de militaire politieman en keek naar mij voor ondersteuning.

“What?”, vol ongeloof stelde de grote bruine militair deze retorische vraag.

“We paid her father to care for her”, vervolgde de nog steeds verbaasde donkere militair, “we ain’t do anything wrong” “She’s happy”, schreeuwde hij het bijna uit.

 “What means care for her in your opinion?”, ging onze ondervraging verder.

“We give her food, water, a bed and bath. In return she gives us sexual services”,  bekende de militair. Hij was zich niet bewust van de impact van zijn woorden.

Wij keken elkaar aan en verifieerden bij elkaar of we het goed gehoord hadden. Deze militair bekende zo maar seksueel misbruik van een minderjarig Arabisch meisje. Inmiddels was door het onderzoek van de arts in het bijzijn van de tolk duidelijk geworden dat het meisje minderjarig was.

“Her father said she was 18”, probeerde hij zijn problemen te verzachten. Ondertussen kreeg hij in de gaten dat dit foute boel was. Hij herhaalde; “we ain’t do anything wrong”, maar nu met zachte stem. Hij hoorde van ons dat vast was komen staan dat het meisje minderjarig was.

“Oh my God. This is bad, very bad. What have we done?”. En ging met zijn handen en hoofd in zijn schoot zitten.

Samen met de militaire politie onderzochten we de beweringen over seksueel misbruik van minderjarige Arabische meisjes op het Arabisch schiereiland. Langs de Rode zee reden we van observatiepost naar observatiepost. Bij de eerste was het raak. Militairen afkomstig van eilanden in de Stille Oceaan bemanden de eerste observatiepost. Donker van kleur, een enorme borstomvang, lang, zeer gespierd. Imposante mannen in alle fysieke opzichten. In de observatiepost stond een bleek meisje. Hoe oud was ze? 16, 13 of nog jonger? Ze sprak Arabisch. Onze tolk en een arts, beide vrouwen, ondersteunden bij ons onderzoek. De militairen werden door ons ondervraagd en het meisje werd onderzocht door de arts en gevraagd naar haar ervaringen door de tolk.

Het meisje had meerdere malen aangegeven dat zij gelukkig was bij de bruine mannen zoals zij dat omschreef. Bij de fysieke controle werd geconstateerd dat de kolossale omvang van de mannelijke geslachten van de zes militairen grote schade aan het meisje hadden toegebracht. Ze ging van hand tot hand en van boomstam tot boomstam. Wat moesten we doen? Wat moest ik doen? Dit kon natuurlijk niet. Als wereldgemeenschap ga je voor schut. Wat gebeurt er als dit in het nieuws verschijnt? De ramp was niet te overzien. Ik had hier geen enkele ervaring mee en liet mij adviseren door de militaire politie maar ook door onze dokter. Een zeer wijze vrouw die mijn keuzes heel overzichtelijk op een rijtje kon zetten.

Als militair en mens wilde ik dit meisje beschermen. Maar waar tegen beschermen? Haar lichamelijk integriteit was al geschonden. Haar vader had haar verkocht. De grote bruine mannen verzorgden haar goed. Maar gebruikten haar ook als seksueel speelgoed. Uiteindelijk moest ik een besluit nemen. Het meisje moest terug naar haar familie. Ik wilde haar toch beschermen? Politieke druk speelde uiteindelijk ook een rol. Niet de doorslaggevende maar wel belangrijk voor het laatste zetje.

Een doodongelukkig bleek Arabisch Bedoeïenenmeisje huilde zacht. Was dat van verdriet om de mannen te verlaten of van paniek omdat ze weer terug moest naar haar familie. De grote donkere mannen waren ook verdrietig. Wat hadden zij dit meisje aangedaan? Tegelijkertijd waren ze er van overtuigd dat ze het goede hadden gedaan.

Het was een zware rit in alle opzichten. Eerst moesten we op zoek naar de rondreizende bedoeïenenfamilie van Fatima. Het was vast niet haar echte naam. Maar zij wilde ons niet wijzer maken. Een stoffige rit door de Wadi’s van het Arabisch schiereiland in zuidelijke richting maakte het ook niet aangenaam. Deed ik nu wel het juiste? Bood ik dit meisje echt bescherming door haar naar haar familie terug te brengen. Maar ja wat moest ik. Soms bekroop mij het gevoel dat ik een wat slappe zak was die de weg van de minste weerstand koos. Wist ik veel. Ik had nog nooit met zo’n situatie te maken gehad.  Ik wist niet eens wat seksueel misbruik was. Laat staan dat ik de impact ervan kon inschatten. Oh, wat voelde ik me groen. Nog nooit in mijn leven was ik zo getest als nu. Schuldig ging ik me voelen. Het ging nu niet om mij maar om Fatima besefte ik me plotseling.

Na een halve dag gereden te hebben door dikke stofwolken en over onbegaanbare woestijnwegen ontwaarden we de familie van Fatima. Grote groep mensen, kamelen, tenten, kinderen. Jongens en meisjes. Ik stapte uit en gaf de vader een hand en de moeder ook. Dat was fout! Heel fout! Ik had het nog zo geleerd: vrouwen geen hand geven en niet in de ogen kijken. Toen het erop aan kwam was het alsof er een soort acute alzheimer over me kwam. De vader was ongelooflijk boos en wilde mij het liefst fileren of stenigen. Hij maakte dat in woord en gebaar duidelijk.

Ik bood mijn excuses aan. Dat voelde ook al zo vreemd. Een man die zijn bloedeigen dochter verkocht omdat zij in zijn ogen niets waard is, die man moest ik mijn excuses maken omdat ik aardig was geweest tegen zijn vrouw. Was dit de wereld op zijn kop? De culturen knalden hier als meteorieten op elkaar.

Ik slikte mijn trots in maar wilde mijn waardigheid niet verliezen. Ík had immers niets verkeerd gedaan. Hij!! De vader liet via onze tolk weten dat hij zijn dochter wilde terugnemen maar hetgeen de mannen hem hadden betaald niet wilde teruggeven. Nieuwsgierig geworden naar het bedrag vroeg ik de vader hoeveel de militairen aan hem betaald hadden. De vader dacht na en via onze tolk vertelde hij dat hij $ 5.000 voor haar ontvangen had. Mijn woede werd steeds groter. Dat was voor het onderhandelingsproces niet zo handig. Mijn collega wist mij weer op het goede spoor te krijgen. Geen emoties, fluisterde hij in mijn oor. Resultaat is nu belangrijk. Ook voor Fatima, fluisterde hij verder en vaderlijk. Met professionele distantie ging ik verder. De vader nam zijn dochter terug en wij konden met opgeheven hoofd weer terug naar de basis zodat we de Arabische collega’s ook weer onder ogen konden komen. Zo hadden we toch een politieke rel kunnen voorkomen.

De dagen daarna bleef ik maar aan Fatima denken. Wat gebeurde er met haar? Duidelijk was dat haar vader niet echt blij was. Ook werd duidelijk dat ze voor de familie niets waard was. Mijn gedachten werden onderbroken door lawaai. Schreeuwende kerels. Ik ging kijken wat er aan de hand was. De grote bruine militairen werden binnengebracht om naar hun thuisland terug te keren. Je kon militairen met een dergelijke staat van dienst niet handhaven. Ze moesten terug. Toch bleef bij mij ook hangen dat ze toch goed voor Fatima hadden gezorgd. Ze had het beter bij deze stoere mannen dan bij haar eigen vader. Nou ja, over het algemeen. Het seksuele deel liet ik voor het gemak even buiten beschouwing. Wat hebben deze mannen toch verkeerd gedaan? Het kon niet wat ze hebben gedaan. Het was goed zo, sprak ik manmoedig tegen mezelf. Het was een poging om mezelf gerust te stellen en mijn beslissing te rechtvaardigen. Maar helemaal goed voelde het nog niet.

Mijn collega vond dat ik Fatima en het seksuele misbruik los moest laten. Daar had je, volgens de aloude militaire traditie, alleen zelf maar last van. Gesprekken hierover met hem zorgden er ook wel voor dat ik mijn dilemma’s op tafel kon gooien. Ongenuanceerd kon ik mijn mening de vrije loop laten. Dagen gebeurde er niets en het verhaal van Fatima ging wat naar de achtergrond. Ik voelde me iets relaxter en werd afgeleid door dronken militairen in Eilat en Tel Aviv, relletjes tussen Arabische politiemensen en  dronken militairen. Het was ondanks alles een prettige afleiding.

Terug in Nederland ging het leven als vanouds verder. Seksueel misbruik, mensenhandel maakten weer plaats voor plaatselijke gebeurtenissen waardoor de ervaringen uit het Midden Oosten naar de achtergrond werden gedreven. Volgens mij kenden we geen mensenhandel en seksueel misbruik  in Nederland. Althans ik hoorde en zag er niets over.

De eerste keer na mijn terugkomst uit het Midden Oosten dat ik weer ging nadenken over mensenhandel en seksueel misbruik was een decennium later. In het nieuws werd voorzichtig de link gelegd tussen prostitutie en mensenhandel, tussen prostitutie en seksueel misbruik. Ook begreep ik dat het om steeds jongere meisjes ging. Hoe jong begreep ik later pas. Langzamerhand gingen de gebeurtenissen in mijn Midden-Oosten-tijd weer een rol spelen. Ik dacht er veel aan terug. Ik kon me toch niet voorstellen dat in een beschaafd land als Nederland dit soort onverkwikkelijke zaken voorkwam. Heel naïef, zoals nu blijkt, dacht ik ook: wat is het probleem? Pak gewoon de daders op en help de slachtoffers. Punt! Hoe was de hulp voor die meisjes eigenlijk geregeld? Ik vroeg me wel steeds vaker af wie zou deze meisjes kunnen helpen. “Hoe was dit eigenlijk in ons nette aangeharkte polderland geregeld? Ook kreeg ik steeds meer de aandrang om te denken dat je ook wat moest doen voor de daders. Waar vraag is, is aanbod. Een aloude economische wet die ook nu opgeld deed. Maar ja, telkens kwam ook de gedachte weer op: Wie was nu de dader en wie het slachtoffer?

“Ze kunnen er wat aan doen”, zei ik cryptisch tegen mijn vrouw. Zij keek mij vragend aan en dacht dat er iets met me aan de hand was. Wat dat was kon ze niet verklaren. Ze had nu eenmaal de ervaringen die ik in het Midden Oosten had meegemaakt niet ervaren.

Op een ochtend kreeg  ik als financieel interimmanager een verzoek om een organisatie te helpen veranderen. Om mee te bouwen aan een nieuwe organisatie: Fier Fryslân. Misbruik van meisjes door loverboys door allerlei nationaliteiten op basis van uiteenlopende redenen waaronder ook culturele redenen. Meisjes zijn niets waard en leveren alleen een bijdrage door prostitutie. Ik besefte me dat een nieuwe kans was geboren. Ik was 42 jaar met een belevingswereld van een ervaren militair ondertussen veteraan, een door de wol geverfde financieel manager die ervaren was om organisaties op een verantwoordelijke wijze te veranderen en te laten groeien. Ik was vanuit mijn eigen discipline verantwoordelijk voor het creëren van de financieel gezonde organisatie en kon daarmee een bescheiden bijdrage leveren aan Hulp bij geweld. Beducht voor wat ik zou aantreffen reed ik naar Leeuwarden.

Ik besefte mij meer dan voorheen dat de problematiek van Fatima ook in Nederland voorkwam. Zonder het te beseffen heb ik in het Midden Oosten kennis gemaakt met voor mij de eerste tekenen van mensenhandel en seksueel misbruik. Nu werd ik nog eens maar dan steviger met de neus op de feiten gedrukt. En hoe! Seksueel misbruik in alle soorten en maten, gedwongen prostitutie waarbij geen enkel middel werd geschuwd, eerwraak met soms dodelijke afloop. Ook weer botsende culturen en dilemma’s.

Door mijn uitgebreide ervaring en intense betrokkenheid voelde ik mij nu niet groen maar strijdvaardig. Het werd me nu allemaal duidelijk. Het denken over misbruik, mensenhandel of gedwongen prostitutie is geen kwestie van ras, cultuur, geloof of afkomst. Het is een kwestie van respect en fatsoen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *